Zwarte Bladzijden 1: de misplaatste obsessie met collectieve schuld

Geschiedenis is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de mens in zijn verleden, en die door de wetenschap vanuit het heden het verleden probeert te begrijpen. Vind hier alles over de wereld- en vaderlandse geschiedenis.
Plaats reactie
Gebruikersavatar
taigitu
Professor
Berichten: 9388
Lid geworden op: 04 dec 2011, 14:37

Zwarte Bladzijden 1: de misplaatste obsessie met collectieve schuld

Bericht door taigitu » 02 jul 2018, 10:04


Zwarte Bladzijden 1: de misplaatste obsessie met collectieve schuld


Geplaatst door Ewout Klei - 2 Nov 2015

Speciaal voor Jalta schrijft historicus Ewout Klei een miniserie over slavernij en zwart activisme.
Vandaag deel 1 van ‘Zwarte Bladzijden’, over de werkelijke omvang van het Nederlandse slavernijverleden en de door de activisten
gemakshalve vergeten traditie van Nederlands abolitionisme.


Een jaar geleden bracht Jalta een inzichtelijke infographic die aantoonde dat de anti-zwartepietactivisten behalve in Zwarte Piet vooral ook in herstelbetalingen geinteresseerd zijn. Nederland moet de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap miljoenen betalen, miljarden, als schadevergoeding voor de slavernij. Hoe zit het eigenlijk met het Nederlandse aandeel in de slavenhandel en slavernij? Is de roep van zwarte activisten om herstelbetalingen gerechtvaardigd?

De context


Slavernij is niet iets typisch Westers, waar alleen de ‘witte man’ schuldig aan is. Het is een fenomeen dat al duizenden jaren bestaat en bijna overal in de wereld kwam het voor. Ook in Afrika. Afrikaanse koninkrijkjes voerden oorlogen met elkaar waarbij veel krijgsgevangen werden gemaakt die vervolgens als slaven werden verkocht. De Arabische en Europese handelaren haalden hun ‘handelswaar’ dus uit een werelddeel waar slavernij de gewoonste zaak van de wereld was.

De islam verbiedt het houden van islamitische slaven, maar het houden van niet-islamitische slaven wordt geaccepteerd. Omdat mensen die zich tot de islam bekeerden geen slaaf meer mochten zijn boden zwarte slaven uitkomst. Ze deden vaak werk in de huishouding of werkten als ambachtsman. Rond 800 na Christus waren de Arabieren de eersten die grote groepen Afrikaanse slaven overbrachten naar gebieden buiten Afrika. Tussen 850 en 1850 vervoerden Arabische handelaren miljoenen slaven. Ook speelden Arabische slavenhandelaren een rol bij de aanvoer van slaven naar de westkust van Afrika toen de Europese slavenhandelaren daar actief werden.

In Europa was de slavernij na de val van het Romeinse Rijk min of meer afgeschaft, en ook de lijfeigenschap en horigheid waren aan het einde van de Middeleeuwen op hun retour. Het enige gebied in Europa waar in de Middeleeuwen slavernij bestond was het Iberisch Schiereiland, dat voor een deel in handen was van de islamitische Moren. In het zuiden van Portugal hadden de Moren plantages aangelegd waar rietsuiker werd verbouwd. Suikerriet groeit alleen in een warm en vochtig klimaat en het verbouwen is zeer arbeidsintensief. Om die reden hadden de Moren zwarten als slaven ingezet. De Spanjaarden en de Portugezen, die het Iberisch Schiereiland zouden heroveren op de Moren, waren dus goed vertrouwd met het fenomeen slavernij. Toen beide naties in de vijftiende en zestiende eeuw met hun schepen nieuwe gebieden ontdekten en veroverden legden ze in deze gebieden ook plantages aan waar zwarte slaven onder zware omstandigheden rietsuiker verbouwden. De Nederlanders, die na de Spanjaarden en de Portugezen de wereldzeeën gingen bevaren, sloten zich bij deze praktijken aan.

De feiten

Tussen 1600 en 1850 werden zo’n 11 miljoen zwarte slaven van Afrika naar Noord- en Zuid-Amerika verscheept.
530.000 slaven, ongeveer 5% van het totaal, werd door de Nederlanders verscheept.

Nederlanders is in dit geval natuurlijk een anachronisme. Het gaat om een beperkte groep handelaren uit vooral Middelburg, Amsterdam, Rotterdam. Het Nederlandse aandeel viel relatief gezien dus mee en de opmerking van historicus Zihni Özdil in zijn boek Nederland mijn vaderland dat Nederland rijk werd vanwege de slavenhandel en de uitbuiting van Java door de VOC moet naar het rijk der fabelen worden verwezen. Piet Emmer berekende in zijn boek De Nederlandse slavenhandel dat de opbrengsten van de handel zelf uiterst karig waren zelfs. De Oostzeehandel was voor ons land vele malen belangrijker. Toch moeten er wel een paar nuances worden gemaakt. Tijdens de actieve periode van de Nederlandse betrokkenheid (1630 tot 1795) lag het aandeel van ons land hoger, namelijk op 7,5%. In de topperiode, van 1760 tot 1773, was het zelfs 10%.

De Nederlandse slavenhandel moet volgens historicus D.J. Tang in twee perioden worden onderscheiden.
De eerste periode is die van de West-Indische Compagnie (WIC), die van 1621 tot 1730 een monopolie had op de Nederlandse slavenhandel. De WIC heeft, zo blijkt uit de boekhouding, 273.000 Afrikaanse slaven naar Noord- en Zuid-Amerika getransporteerd. De tweede periode, die van 1730 tot 1803 duurde, was de periode van het particulier initiatief. De WIC, die het zakelijk gezien slecht deed, had geen monopolie meer. Particuliere ondernemingen, waarvan de Middelburgse Commercie Compagnie en de Sociëteit van Suriname de belangrijkste waren, vervoerden in deze periode zo’n 257.00 slaven. Behalve deze officiële slavenhandel was er ook nog illegale slavenhandel, vooral in de tijd van de WIC om het monopolie van deze compagnie te omzeilen. Tang schat dat dankzij deze illegale slavenhandel maximaal enkele tienduizenden slaven extra zijn vervoerd. Maximaal zou Nederland dus zo’n 600.000 hebben getransporteerd, maar het getal ligt vermoedelijk enkele tienduizenden lager.

De omstandigheden op slavenschepen waren schandalig slecht. Zo’n 16% van de menselijke ‘lading’ overleefde de reis niet. Per schip verschilde het echter nogal. Bij langzame schepen en schepen die werden getroffen door een uitbraak van een besmettelijke ziekte was het sterftecijfer veel hoger. Ter vergelijking: hoewel exacte sterftecijfers van normaal VOC personeel aan boord niet bekend zijn liggen die voor de achttiende eeuw waarschijnlijk tussen 8% en 15%. Aan het einde van de achttiende eeuw waren de schepen sneller, met als gevolg dat het sterftecijfer omlaag ging. Slavenhandelaren probeerden de ‘schade’ voor hun ‘waar’ te beperken en namen ook maatregelen om het sterftecijfer te doen laten dalen, zoals betere voeding en hygiëne.

Tussen 1630 en 1650 vervoerde de WIC veel slaven naar Brazilië, dat Nederland in deze tijd op Portugal had veroverd.
Na het verlies van Brazilië trad er een tijdelijke daling in de Nederlandse slavenhandel in, totdat Nederland in 1667 Suriname in handen kreeg, dat met Engeland was geruild voor Nieuw-Amsterdam (New York). De in 1720 opgerichte Middelburgse Commercie Compagnie was niet opgericht om mee te doen aan de slavenhandel. Toen in 1730 het monopolie van de WIC werd ingetrokken deden de Middelburgers echter mee aan de slavenhandel, met wisselend commercieel succes. Pas na 1755 werden er grote winsten gemaakt, maar dat kwam omdat het bedrijf er in slaagde de retourvrachten naar Nederland beter te organiseren. De slavenhandel werd vanaf 1755 de belangrijkste commerciële activiteit van de Middelburgse compagnie.

De Sociëteit van Suriname was in tegenstelling tot de WIC en de Middelburgse Commercie Compagnie een plaatselijke onderneming. De Sociëteit verkocht stukken grond aan particuliere ondernemers, die deze gronden vervolgens in cultuur brachten. Het belangrijkste product was rietsuiker. De plantagehouders lieten prachtige huizen voor zich bouwen, met namen als ‘Lust en Rust’ en ‘Mon Désir’. De slaven en hun eigenaars leefden letterlijk in totaal verschillende werelden.

Op de Antillen waren de omstandigheden voor slaven beter dan in Suriname.
Vanwege de geringe omvang van de eilanden kon er geen plantagelandbouw worden opgezet. De slaven kregen er werk in de huishouding, of deden minder arbeidsintensief landbouwwerk. Op Curaçao waren de levensomstandigheden van de slaven relatief gezien zo goed (NB: dat relatief moet men relatief zien), dat het eiland vanaf het einde van de achttiende eeuw al een geboorteoverschot had. In de meeste slavengebieden was het sterftecijfer hoger, vanwege de zware omstandigheden waarin de slaven moesten werken.

De afschaffingslobby

In de zeventiende en achttiende eeuw werd de slavernij in Nederland verdedigd met beroep op de Bijbel.
De zwarten zouden afstammen van Cham, de zoon van Noach die door God was vervloekt (Genesis 9:18-27). Als straf van God zouden de zwarten gedwongen zijn tot dienstbaarheid. De zwarten waren collectief schuldig volgens sommige calvinistische predikanten. Als gevolg van de Verlichting begonnen geletterde mensen langzaam maar zeker kritischer te staan tegenover slavernij. Zo vond de patriottenleider Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) het onbegrijpelijk dat de Amerikaanse revolutionairen die in opstand kwamen tegen Groot-Brittannië hun zwarte mede-Amerikanen niet de vrijheid gunden. In Nederland vormden deze Verlichte geesten echter nog lange tijd een kleine minderheid.

In het laatste decennium van de achttiende eeuw streden de Britse ‘abolitionisten’ Thomas Clarkson (1760-1846) en William Wilderforce (1758-1833) voor afschaffing van de slavenhandel en van de slavernij. Ze deden dit uit Verlichte principes, maar daarnaast ook uit een evangelische bevlogenheid. Met beroep op de Bijbel kon je immers even goed beweren dat alle mensen in de ogen van God gelijk waren, ook de negerslaven. De abolitionisten schreven felle pamfletten en hadden ook hun eigen propagandaporselein. Populair was het bord met een zwarte man en het opschrift ‘Am I not a man and a brother?’ In 1807 verbood Groot-Brittannië de slavenhandel en in 1834 werd de slavernij in de koloniën afgeschaft.

Omdat Groot-Brittannië de machtigste zeemacht ter wereld had die de slavenhandel actief bestreed handelde Nederland vanaf 1814 ook niet meer in slaven. Samen met de vloot van Groot-Brittannië bombardeerde de Nederlandse vloot in 1816 Algiers, omdat de plaatselijke vorst daar de slavenhandel niet wilde afschaffen. In 1840 werd in Nederland de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van Slavernij opgericht. Deze vereniging kende haar oorsprong in het Réveil, een evangelische opwekkingsweging. Deze bevlogen christenen vonden slavernij immoreel. Aanvankelijk voerden ze echter een gevecht tegen de bierkaai, want de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van Slavernij kreeg geen Koninklijke goedkeuring.

In 1848 schafte Frankrijk, waar weer een zoveelste revolutie was uitgebroken, de slavernij af. Nederland kreeg een liberale grondwet maar handhaafde de slavernij in de koloniën. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw verschenen twee boeken die grote invloed hadden op de Nederlandse publieke opinie: Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe, in 1853 in Nederland uitgebracht onder de titel De negerhut van oom Tom, en het in 1854 verschenen boek Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet van Wolter R. van Hoëvell. Hoewel het laatste boek een antisemitische ondertoon had – volgens Hoëvell waren vooral de Joodse plantagehouders in Suriname wreed en hebzuchtig – zorgde dit verhaal er wel voor dat veel Nederlanders kritischer gingen kijken naar het fenomeen slavernij.
Pas na 1860, toen de liberalen de post van minister van koloniën kregen, kon er werk worden gemaakt van de afschaffing van slavernij. Het voorstel van minister G.H. Uhlenbeck om de slavernij af te schaffen was een typisch Nederlands compromis. Slaveneigenaren kregen namelijk een royale vergoeding en bovendien werden de slaven verplicht om na hun officiële invrijheidsstelling op 1 juli 1863 nog tien jaar op de plantage te blijven werken. Echt vrij waren ze dus nog niet.

Nederland was niet bijzonder vroeg en ook niet bijzonder laat met het afschaffen van slavernij. Nederland schafte de slavernij later af dan Groot-Brittannië (1834) en Frankrijk (1848), maar eerder dan de Verenigde Staten (1865), Spanje (1886) en Brazilië (1888). Afrika en het Midden-Oosten waren echter nog lang niet zo ver. Ethiopië (1902), Marokko (1922), Qatar (1952), Saoedi-Arabië (1962), de Verenigde Arabische Emiraten (1964) en Mauritanië (2007) zetten pas veel later een punt achter de slavernij.

De historiografie

In de Nederlandse geschiedschrijving kregen slavenhandel en slavernij aanvankelijk nauwelijks aandacht. Nederland was het land van de koopman en de dominee, maar dat de eerste in slaven had gehandeld en de tweede de slavernij op theologische gronden had verdedigd paste niet in het trotse beeld wat Nederlanders vanaf de negentiende eeuw van de vaderlandse geschiedenis hadden.
Pas vanaf de jaren zestig kwam er wetenschappelijke aandacht voor het onderwerp. Het koloniale verleden van Nederland werd door historici kritisch onder de loep genomen en daar hoorde als vanzelfsprekend ook de slavernij bij. De historische studies naar het Nederlandse aandeel in de slavenhandel en de slavernij werden echter wetenschappelijk benaderd. Natuurlijk was slavernij slecht, maar het morele oordeel moest een gedegen onderzoek niet in de weg staan.

Deze objectieve benadering veranderde (deels) met de komst van honderdduizenden Surinamers en Antillianen naar Nederland. Zij eisten ook hun plekje in de Nederlandse samenleving op, en daar hoorde ook een plek in de Nederlandse geschiedenis bij. Het Nederlandse slavernijverleden speelt een belangrijke rol in de Surinaamse en Antilliaanse identiteit, met de ‘witten’ in de rol van daders en de ‘zwarten’ in de rol van slachtoffers. Radicale zwarte activisten eisen bovendien herstelbetalingen voor de slavernij en vinden dat de ‘witten’ moeten betalen.

Voor nuance is in dit zwart-witte beeld geen plaats.
Dat Nederlanders net als de andere Europeanen in een reeds bestaande handel participeerden, dat het Nederlandse aandeel in de slavenhandel relatief gezien meeviel, dat Nederland zijn welvaart echt niet aan de slavernij had/heeft te danken, dat Nederland de slavernij zeker niet als laatste land afschafte, deze feiten passen uiteraard niet in het herstelbetalingsframe. Natuurlijk, slavernij is onmenselijk, is wreed, het is een historische verworvenheid van formaat dat slavernij verboden is. Maar historici hebben de plicht de Nederlandse slavernijpraktijk in breder perspectief te zien.
Zo gaat het in het publieke debat door de uitvergrote zwart-wit tegenstelling uitsluitend over de trans-Atlantische slavenhandel. Hoe zat het eigenlijk met de omvangrijke handel in en gebruik van slaven in de Oost? En wordt het dan ook niet eens tijd dat de Nederlanders van Turkse en Marokkaanse afkomst worden aangesproken op de miljoenen slaven – waaronder veel witte christenen – die hun ‘voorouders’ hebben buitgemaakt en verhandeld in het Middellandse zeegebied en Afrika? Natuurlijk, op individueel niveau mogen mensen best hun excuses aanbieden voor de slavernij. Ik kan mij voorstellen dat een Sunny Bergman, een Asha ten Broeke of een Simone van Saarloos die behoefte voelt. Doe uw ding dames. Excuses van Nederland, om nog maar te zwijgen over herstelbetalingen, zijn daarentegen onzinnig. Het bevredigt alleen maar de zwarte activisten in hun grote gelijk, namelijk dat de ‘witten’ allemaal schuldig zijn omdat ze wit zijn en daarom moeten boeten.

Mijn voorouders komen uit Groningen en Oost-Friesland en zijn daar altijd boer of boerenknecht geweest. Ik vermoed dat de meeste ‘witte’ Nederlanders net zulke saaie voorouders hebben. Maar ook als mijn voorouders zich wel schuldig zouden hebben gemaakt aan slavenhandel of plantagehouders zouden zijn geweest, wat heb ik daar nu mee te maken? Is dat dan ook mijn schuld? De herstelbetalingactivisten geloven, net als de zeventiende-eeuwse calvinistische predikanten die de slavernij verdedigden, in het idee van collectieve en overerfbare schuld. Ik geloof dat de mensheid zich daarvan moet bevrijden.

https://jalta.nl/geschiedenis/zwarte-bl ... ve-schuld/
...................................................................................Afbeelding

Gebruikersavatar
gusteman
Professor
Berichten: 5375
Lid geworden op: 16 mei 2010, 23:54

Re: Zwarte Bladzijden 1: de misplaatste obsessie met collectieve schuld

Bericht door gusteman » 05 jul 2018, 20:31

Ben benieuwd naar de overige Zwarte Bladzijden.
Vragen bij mijn reactie? Ik antwoord je hier (klik).
De wetenschap wéét dat ze niet alles weet. Maar het feit dat de wetenschap niet alles weet betekent niet dat je elke lacune naar believen kan invullen met een sprookje naar keuze. (Dara Ó Briain)

Gebruikersavatar
taigitu
Professor
Berichten: 9388
Lid geworden op: 04 dec 2011, 14:37

Re: Zwarte Bladzijden 1: de misplaatste obsessie met collectieve schuld

Bericht door taigitu » 08 jul 2018, 10:14

Ik ook.
...................................................................................Afbeelding

Plaats reactie